Blog

Wie niet weg is, is gezien: over volwassenheid, ondernemerschap en je verliezen in het spel

Het is een gewone dinsdagmiddag. Na school is er een klasgenoot (4) van mijn jongste dochter Liesje (5) mee naar ons huis gekomen. Een kwartier later belt onze buurjongen (bijna 6) aan en mijn oudste dochter Sofie (7) herinnert zich op dat moment, dat ze hem afgelopen zondag gevraagd heeft om vandaag te komen spelen.

De buurjongen glijdt soepel in het spel dat de meisjes al zijn begonnen. Enkele meubels, een speelgoedwasmachine en -strijkplank vormen het decor van een wasserette annex strijkservice. Ik rommel wat aan in de keuken, schenk wat glazen drinken in en snijd een peer. Het spel gaat ongemerkt over in een balspel, met spelregels die ik niet herken. Weer een kwartier later en een spel verder, wordt er een spel gespeeld dat me wél bekend voorkomt: verstoppertje.

Ik vouw boven een was weg. Terwijl er kinderen om mij heen hun toevlucht zoeken onder een bed en mij instrueren om hen niet te verraden, dwalen mijn gedachten af naar afgelopen vrijdag. Hoewel ik tot half zeven ’s avonds had willen werken, kwam ik om half zes terecht in een borrel, die spontaan georganiseerd leek door wat ‘jongens’ van twee ondernemingen in het bedrijvenpand waar ook ik mijn werkruimte huur.

We raakten in gesprek over de inhoud van hun en mijn vak, over ‘ons’ pand en het zelfstandig ondernemer zijn. Het kon natuurlijk niet anders dan dat de jongens – ik schrijf en denk ‘jongens’ omdat ik ze ergens begin twintig jaar schat – redelijk recent als ondernemer waren gestart. In gesprek met hen werd me duidelijk dat twee van hen al begonnen zijn met hun onderneming in hun studententijd en één zelfs als scholier. Proberend, experimenterend. Niks serieus, gewoonweg vrijuit doen. Spelenderwijs.

Ik studeerde zo’n 15 jaar eerder dan zij en het valt me op dat ik het van de ‘jongere garde’ steeds vaker lees en hoor dat ze tijdens hun studie, al ondernemer zijn. Eén van mijn twaalf huisgenoten in het huis waar ik op kamers woonden tijdens mijn studententijd, was dat ook. Alleen was dat toen voor mij iets heel uitzonderlijks. Ik kende verder niemand die dat deed, laat staan dat ikzelf op het idee kwam om op eigen houtje iets in de wereld te zetten.

Wellicht helpt de vlucht die het internet in de tussentijd heeft genomen. Misschien ook is dit een generatie – de ‘Millennials’ – die echt anders zijn grootgebracht. Misschien begeef ik me nu gewoonweg meer onder ondernemers dan ik 15 jaar geleden deed. En dus ook onder jonge ondernemers.

Intussen houdt het verstopspel van de kinderen verrassend lang aan. Ik zie dat in elke ronde er een nieuwe verstopplek wordt ontdekt. Mijn dochters verstoppen zich op plaatsen die hun klasgenoot en buurjongen nog niet kennen en andersom benutten zij plekken die door mijn dochters nooit als verstopplek zijn beschouwd. Elke spelronde blijkt het een uitdaging om de laatst verstopte te vinden.

Hoewel ik er drie dagen niet aan dacht, weet ik ineens weer hoe de borrel eindigde: ‘Zullen we straks nog verstoppertje gaan doen?’, opperde één van de jongens plots. ‘Jaaaah!’ riepen twee anderen enthousiast. Ik moet het drietal meewarig aangekeken hebben, want één van hen zag aan mijn blik dat ik twijfelde of ze dit werkelijk meenden. Al gauw werd me duidelijk dat dit niet de eerste keer zou zijn dat er verstoppertje in ons bedrijvenpand gespeeld werd, als één van hen mijn blik lachend beantwoordt met: ‘Maar ik weet zeker dat wij de allerbeste verstopplekken kennen!’

Het bleek al voorbij half zeven en ik moest de verstopuitnodiging ook afslaan om een eetafspraak. Nu het verstopspel van de kinderen de speeldrift van de jongens in mijn herinnering terugbrengt, vraag ik me af of ik een volgende keer toch eens moet meedoen. Wellicht draagt het wel bij aan mijn ondernemersvaardigheden.

Misschien is het nog veel beter er helemaal niet over na te denken en vooral ook niet over de mogelijke ‘opbrengst’. Want spelen wordt pas rijk als het doel niet vooraf is bepaald.

Ook bij volwassenen.

Muzieklesstress

Vorig schooljaar was het zo nu en dan een liedje, maar sinds dit schooljaar pak ik het wat serieuzer aan. Als mijn agenda het toelaat zit ik wekelijks op dinsdagmiddag in beide groepen 3/4 met mijn gitaar te zingen. In één van die groepen zit mijn oudste dochter Sofie (7).

20 Jaar geleden zat ik met een trillende stem en bibberende handen mijn eerste liedje te spelen in een kleuterklas. Het was tijdens een stage als aankomend juf op een basisschool. Ik was net 17 jaar. ‘Spannend’ dekt niet de lading van die  momenten, ‘doodeng’ komt beter in de buurt. Niet zozeer om de twintig paar kleuterogen die me verwachtingsvol aankeken, maar de ogen van de 36-jarige juf, dat me vanaf de zijkant als een havik in de gaten hield, liet mijn hart als een razende tekeer gaan en deed me het zweet uitbreken.

De blik liet me niet los en het werden er meer: andere mentoren, stagebegeleiders en uiteindelijk voelde ik me ook beoordeeld door de kinderen. Beoordeeld volgens de standaarden van wat een muziekles ‘goed’ maakt. Zing ik zuiver? Leer ik hen iets en wat dan precies op muzikaal vlak? Wat moeten ze eigenlijk allemaal kennen en kunnen?

Vanaf dat Sofie naar school ging wist ik dat ik wegen zou vinden om me te bemoeien met wat er gebeurt op de school van mijn kinderen. Dat het in de vorm van een wekelijkse muziekles op dinsdagmiddag is, is niet onlogisch, aangezien ik al vanaf dat mijn dochters enkele maanden waren mijn gitaar er dagelijks bij pak en gewoonweg wat begin te spelen en te zingen.

Altijd zonder stress. Geen moeten, geen beoordeling. Inmiddels kunnen zowel Sofie als mijn jongste Liesje (5) heel aardig toon te houden, weten – zonder dat ik het ooit heb uitgelegd – wanneer ze een liedje moeten inzetten, kennen het verschil tussen hoge en lage tonen, begrijpen hoe het geluid met een gitaar wordt gecreëerd.

Nu ben ik de juf van toen in leeftijd voorbij, maar zeker niet in onderwijservaring. De eerste twee muzieklessen van dit jaar bereidde ik dan ook gedegen voor; in die zin dat ik op papier zette wat ik precies ging doen en hoe ik dat ging doen.

Na die eerste weken werd de voorbereiding iets losser. Niet omdat ik dat een goed idee vond, maar omdat ik er gewoonweg weinig tijd voor had. Aan het einde van de dinsdagochtend dacht ik steeds vaker: is het alweer zover? En zelfs: moet ik weer?

Deze dinsdag denk ik bij mezelf bij binnenkomst na de middagpauze en terwijl ik mijn gitaar op een tafel leg om deze uit de gitaarhoes te halen, het zal mij benieuwen wat wij het komende half uur gaan doen.

Zonder te weten waarom, misschien alleen om mezelf een houding te geven in het ongemakkelijke ‘niet-weten’ waarin ik me begeef, speel ik wat akkoorden terwijl de kinderen hun stoelen in de kring zetten en erop plaats nemen. Ik merk dat het geraas en gekwetter dat lijkt te zijn meegenomen van buiten, al na enkele aanslagen grotendeels verstomt.

Aaaah daar zijn die ogen weer! Ze kijken plots, sommigen zelfs terwijl ze nog met hun stoel winkelen, verwachtingsvol naar mij.

En ik heb geen idee. ‘Wie heeft er een verzoeknummer?’ opper ik dan maar.

Twintig vingers schieten de lucht in.

We zingen een nummertje van ons inmiddels uit zes liedjes bestaande repertoire.

Anderhalve minuut en na de laatste tonen, vraag ik ‘Nog iemand?’

Alle vingers nu.

Na het tweede liedje blijken er in totaal drie minuten te zijn verstreken. ‘Wie dan?’

Degene die ik kies, kiest ‘Uit Artis is een beer ontsnapt.’ En terwijl we dat zingen, ontdek ik een ritme dat zich regelmatig in dit lied herhaalt. Als we klaar zijn, zeg ik één van de teksten van dit ritme hardop en begin met mijn handen mee te klappen. ‘Doe maar mee!’ roep ik nog wat zenuwachtig en loop vervolgens de kring rond om de kinderen aan te moedigen om in het juiste ritme te gaan klappen. Als een opwellende stadionleus zwengelen de woorden en het geklap aan.

Dan houd ik mijn vinger bij mijn mond. Enkele kinderen stoppen met klappen. ‘Ga maar door met je handen,’ zeg ik ‘maar stop met mee te praten.’ Het duurt even voordat het iedereen lukt om de woorden los te laten, maar na een goeie minuut, zie ik de ogen van de meeste kinderen schuin omhoog kijken en weet ik dat de woorden in hun hoofd verder gaan, terwijl hun handen het ritme blijven klappen.

‘Ik weet niet of dit gaat lukken, maar we gaan het proberen. Ik ben heel benieuwd…’ zeg ik vervolgens. En dat ben ik oprecht. Ik heb dit niet eerder met kinderen gedaan en bovenal wist ik vijf minuten geleden niet dat we dit nu zouden doen. Dan vervolg ik: ‘of het ons gaat lukken om dit ritme te blijven klappen én het lied te gaan zingen…’

Ik pak mijn gitaar erbij, neem een moment om te bepalen waar ik in het ritme moet invallen met de akkoorden waarvan ze gewend zijn dat ik die voorafgaand aan het zingen van dit liedje speel. Dan sla ik mijn eerste akkoord aan, knik en zet de tekst in.

Direct hoor ik een aantal kinderen met me mee zingen. Ik kijk rond en hoor en zie dat meer van hen het liedje oppikken terwijl ze blijven klappen. Het lukt… verzucht ik in gedachte.

Na mijn laatste aanslag haal ik opgelucht adem. Niet alleen omdat het gewoonweg leuk was om dit zo te doen. Ook slechts deels omdat ik de ‘muziekles’ hiermee met iets betekenisvols en leerzaams heb weten te vullen. Vooral omdat ik de ogen van de kinderen, ook die van mijn dochter, even niet als oordelend ervoer. En dan vraag ik hen, gewoon uit goeie zin: ‘nog een keer?’

Baby’s, ooievaars & flamingo’s

De fascinatie over hoe het er vroeger aan toe ging, houdt aan bij Liesje (5). Zo werd mij vanmiddag uitgelegd:

‘Mama, weet je, vroeghûûûr, toen zeiden mensen niet tegen hun kinderen, dat baby’s uit de foef [het Belgische woord voor vagina dat wij in huis hanteren] kwamen en over sexy en zo…
Weet je, toehoen…’

In de vijf seconden stilte die vallen verraden Liesjes schuin naar het plafond gerichte ogen dat ze diep in haar geheugen graaft. Dan vervolgt ze met wijd opengesperde ogen en 20 decibel meer:

‘De mensen zeiden dat baby’s uit de flamingo kwamen!’

Ik houd mijn lach in en vraag: ‘Schat, bedoel jij misschien dat de de ooievaar de baby’s bracht?’

Het heftig knikken, het opgeluchte ‘jaaaah’ wordt al snel vervangen door een beteuterd gezicht dat overgaat tot huilen, omdat ze mijn proesten en lachen interpreteert als uitlachen en ze zich met haar schaamtegevoel geen raad weet.

Voor meer geschiedenislessen van Liesje, die ik niet wil missen, lijkt het nodig dat zij weet dat ik haar niet uitlach. Maar hoe leg ik haar uit dat ik op zulke momenten een combinatie ervaar van dat ik haar wel kan opeten en plat wil knuffelen?

 

Oorlog & de engelen

lichtjesroute

Ik worstel ermee… wat vertel je een vijf- en zevenjarige over de tweede wereldoorlog? De lichtjesroute was natuurlijk onlangs nog. En ja, ook toen werd me gevraagd waarom deze er is.

‘Die begint altijd op 18 september omdat Eindhoven, heel lang geleden in 1944, op die dag is bevrijd.’ Er is me vast gevraagd waarvan Eindhoven is bevrijd en iets over de oorlog die daarvoor was. Ik weet het niet meer precies.

We hadden eerder al gesprekken over de oorlog. Vermoedelijk voerden mijn dochters ook met andere volwassenen gesprekken over deze inhoud. Voor mij was er elke keer weer die afweging: wat vertel ik wel en wat laat ik (nog) maar weg?

Afgelopen maandag bleek zich een eerste beeld van dit stukje vaderlandse geschiedenis in Liesje (5) te hebben gevormd, toen zij van de periode 1940 – 1945 de volgende, zeer gecomprimeerde, beschrijving gaf:

‘Eerst was het helemaal niet goed in Nederland. Toen kwamen de Duitsers het land van de Nederlanders afpakken! Maar toehoen… kwamen de Amerikanen en de engelen en die joegen de Duitsers weg.’

‘Liesje, het waren niet de engelen, maar…’

Daar hield ik even stil.

‘Het waren inderdaad ook engelen, liefje.’

Eénderde speelgoed en speelterrein

Onze berging, die vooraan aan ons huis vast zit en die bereikbaar is via de keuken, werd afgelopen week omgedoopt tot een fietsenwerkplaats, nadat we eerder die dag onze bakfiets met een lekke band naar de fietsenmaker brachten en later weer ophaalden.

 

De hoofdbezigheid van de twee fietsenmakers van 4 en 6 jaar bestond uit het oppompen van fietsbanden, waarbij de pomp op allerlei plekken werd bevestigd, slechts zelden op ventielen. Daarnaast werd er gewerkt aan plezierige werkomstandigheden. Nadat de pompgeluiden even stilvielen, hoorde ik plots het nostalgische geluid van het zoeken naar een radiozender (je weet wel, door middel van het draaien aan een knop). Blijkbaar was de oude radio van mijn opa uit de rekken gehaald.

Na het besluit om te scheiden volgde al snel een ander – gezamenlijk – besluit: het belang van de kinderen is leidend. Zo kozen we ervoor om het huis waar hun vader bleef wonen en Liesje (4) en Sofie (6)j tot dan toe hadden gewoond, zoveel mogelijk in tact te laten. Dit betekende dat op twee meubels – met een persoonlijke waarde voor mij – na, al het meubilair daar bleef, samen met het merendeel van het speelgoed.

De eerste dagen in januari – nog voor we begin februari echt verhuisden – die ik samen met mijn dochters in ons nieuwe huis spendeerde had ik hen niet veel meer te bieden, dan wat materiaal als papier, verf, stiften en klei, die ik in een naarstig bezoek aan de Action had gekocht.

Dacht ik.

De kamer die mijn slaapkamer zou worden, bleek een ‘gymzaal’ te zijn, waarbij je ‘vrij’ was als je de muur aanraakte en de overige ‘onvrije’, nog niet gemeubileerde vierkante meters het decor vormden voor veel gespannen gilletjes en gegiechel.
Het bankstel, de fauteuil en enkele stoelen in de huiskamer vormden zich tot speeltoestel. Eindeloos werden er rondes gemaakt door van het ene op het andere meubelstuk over te stappen.
Het met de hand afwassen, was een beleving op zich. Nog niet eerder in hun leven hadden mijn kinderen ervaren hoe het is om eigenhandig het door henzelf bevuilde servies en bestek, in een sopje en met een borstel en een sponsje ook weer schoon te krijgen. Hun teleurgestelde gezichten stimuleerde mij om nog wat meer ‘afwas’ te verzamelen, toen deze in feite al was gedaan.

In overleg met Sofie en Liesje verhuisden we uiteindelijk wel wat spelletjes en een deel van de inhoud speelgoedkist, naar hun nieuwe huis bij mij. Ik schafte eenzelfde keukentje aan als die ik hen tot dan toe dagelijks had zien gebruiken (en in de helft van de Nederlandse huishoudens met jonge kinderen te vinden is).

In de afgelopen vier maanden, verhuisden ze zelf nog wel wat kleine spullen, door deze op zaterdag mee te nemen, zodra ze hier door hun vader werden gebracht. Nog steeds is de hoeveelheid ‘speelgoed’ in huis echter gering: ongeveer een derde van wat ze hadden in het huis waar we tot een half jaar geleden met z’n vieren woonden. En zelfs daarvan wordt lang niet alles regelmatig gebruikt: de spelletjeskast blijft meestal dicht als ze van zaterdag in de namiddag tot woensdagochtend hier zijn.

Nog steeds wordt er namelijk volop gespeeld met ‘geen speelgoed’: bakjes uit de keukenla, echte scheppen en harken en meubels die tot een ‘winkel’ worden gevormd. Verder bevindt zich in hun keukentje echt, eetbaar eten, zoals noten en pitten en waren ze eens zo in de weer met het creëren van mandala’s van groente en fruit, dat ik wel een foto móest maken, wilde ik voorkomen dat hun kunstwerken bewaard zouden blijven.

Na een tweede pinkstermiddag struinen, keuvelen, rommelen, spullen verplaatsen, mogelijkheden en onmogelijkheden verkennen, met andere woorden: spelen in onze tuin, vroeg Sofie: ‘Is deze tuin groter dan die van papa?’

Even twijfelde ik of het een serieuze vraag was en wat ik erop kon antwoorden. Feitelijk is het formaat van de tuin bij mij namelijk ongeveer een derde van de tuin die ze bij haar vader ter beschikking heeft. Maar wat doet het ertoe? Niet alleen in huis, maar evenzogoed in de tuin bleek haar ‘beleving’ het te winnen van de ‘werkelijkheid’.

 

Kubussen en ronde openingen

Regelmatig ontmoet ik ouders van kinderen (met ADHD) en jongvolwassenen (met ADHD) bij wie het in het onderwijs niet lekker loopt. Ik ontmoet hen niet als het sinds een maandje wat minder gaat. Nee, zij zijn vaak al jaren aan het worstelen. Lees: vele oudergesprekken, verschillende vormen van ondersteuning van hun kind, meerdere studies gestart en weer gestopt en bovenal veel, heel veel onzekerheid. Onzekerheid over de eigen capaciteiten, dat van hun kind of van hen als ouders zelf als het gaat om het begeleiden van hun kind in relatie tot school.

Tegen dit laatste heb ik in de loop der jaren een remedie ontwikkeld…

Nog meer twijfel zaaien.

Over het onderwijs welteverstaan.

Het onderwijs is namelijk niets meer dan een bedacht systeem dat zo efficiënt mogelijk – en daarom meestal groepsgewijs – veelal opgroeiende mensen bepaalde kennis en vaardigheden probeert bij te brengen, waarvan wij als maatschappij vermoeden dat deze zinvol zijn om met name later goed in deze zelfde maatschappij te kunnen functioneren.

Omdat de meeste mensen die ik begeleid een sterk beeldend vermogen hebben, vergelijk ik het onderwijs vaak met een blokkendoos waar van die openingen in zitten, waar vormen doorheen kunnen. Als het om het onderwijs gaat hebben we te maken met een blokkendoos met meestal enkel cirkelvormige openingen. De meeste mensen zijn gelukkig redelijk rond van vorm en zij doorlopen het onderwijs dus ook betrekkelijk makkelijk.

De mensen met ADHD zijn in dit verhaal beter te vergelijken met een kubussen. Zoals je je kunt voorstellen, levert het een helse klus op om een kubus door een ronde opening te krijgen. Zo ook om iemand met ADHD door het onderwijs te loodsen.

Voor degene zelf, voor de ouders én voor het onderwijs.

Het inzicht dat we gezamenlijk bezig zijn een haast onmogelijke klus te klaren, biedt geen directe oplossing voor de struggle die er is. Wat het wel doet, is dat het ontnuchterd werkt. Het helpt om even los te komen van alle emoties – zoals frustratie, verdriet, schaamte en angst – en te zien wat er gebeurt: we proppen een kubus door een ronde opening.

Met deze constatering verschijnen er drie oplossingsmogelijkheden aan de horizon.

Ten eerste kan er worden doorgegaan met het trachten de kubus cirkelvormig te maken. In het ‘hoe’ we dat doen, is echter nog wel veel keuzemogelijkheid.

Ten tweede kunnen we proberen de vorm van de opening wat te veranderen. Dit betekent meestal dat we in overleg gaan met de huidige school of opleiding om te zoeken naar ruimte om (meer) rekening te houden met degene met ADHD.

De laatste mogelijkheid is opzoek gaan naar een nieuwe blokkendoos met wél (betrekkelijk) vierkante vormen.

Het zal namelijk niet de eerste keer zijn dat degene met ADHD op een welwillende Montessori basisschool,  een vakopleiding houtbewerking of studie Industrial Design aan de Technische Universiteit, helemaal opbloeit. Op deze plekken treffen we onderwijsvormen die al als vanzelf meer aansluiten bij de vorm van iemand met ADHD.

Scheelt een hoop heisa als je het mij vraagt.

En bovenal geeft het meer ruimte aan geluk.